Het nieuwe pad.

We gaan vandaag maar eens weer wandelen. Een rondje Oude Oever. Mijn vrouw doet dat voor de suiker, ik voor de relatie.
We vinden het fijn om samen de zondag te vieren in de natuur.
De route gaat langs de gebakken lucht van de The Roadrunner en de prachtige boerderijen. Links af door de Holle Weg.
Soms komen we een rustige honduitlater tegen. Even een praatje en weer in het ritme van een niet kinderachtig tempo.
Langs de Holle Weg loopt een smal fietspad. Daarop lopen wij. Soms aan de kant getingeld door een stel met elektrische fietsen. Die rijden achter elkaar en meestal voorzichtig . We kunnen ze er makkelijk langs laten.
Maar dan komen we op het nieuwe brede fietspad . Eerst ons nog even verwonderd over een eenzame jonge dame die op het bankje zit . Eenzaam, misschien ook niet, want ze is druk op de telefoon aan het socialiseren. We komen op hetzelfde punt een oude man in een oude auto tegen. Wereldwijs als we zijn denken we zomaar aan een beroepsmatige ontmoeting.
We lopen op het zand want op het brede fietspad is nu ruimte voor de snelle paartjes met hun e-bikes op stand racen. Die zijn er eerder dan we verwachten en vanwege hun snelheid kunnen die niet zomaar uitwijken voor ons en wij niet voor hen.
Links af naar de nieuwe bank. Daar is het een drukte van belang. De jeugd van Oudleusen heeft hier een hangplek gevonden. De groep laat de hond in het water en misschien vinden ze zelf ook verfrissing. Een verfrissing die net zo goed kan bestaan uit lurken uit meegebrachte beugelflessen. Muziek klinkt uit zware boxen.
Teruggelopen worden we op het nieuwe pad ingehaald door vier donkerbruine benen op de fiets.
Tassen aan de voor- en achterkant ter hoogte van de assen. Dit lijken welvoorbereide fietstoeristes.
Even verderop zitten deze dames zich even te verpozen.
Ik stap eropaf en groet hen, vergezeld van de vraag of ze van ver komen. “Uit Ootmarsum”. Ze vertellen graag dat de reis gaat naar Rhenen en Blaricum in het Gooi.
“Helemaal op de fiets?” Nee, het laatste stuk zullen ze de trein nemen.
Ik beaam dat het hier zo mooi is en vertel dat achter hen zich een dassenburcht bevindt.
Ook bevestig ik hun vraag of wij hier wonen. Ik lieg dat ik uit Bussum kom en door mijn vrouw naar het mooie Vechtdal ben gelokt en hier de taal heb geleerd. “ Oh ja, die taal” zegt de vriendin. Vermoedelijk zijn ze in Ootmarsum geconfronteerd met onverstaanbare klanken.
Ik besef dat het zonderling is om zomaar een gesprek aan te gaan met wildvreemde passanten.
“En mevrouw wacht geduldig? “
Later zeg ik tegen Tonny dat zij misschien denken dat ik een weekeindje op verlof ben van de instelling. Dat risico loop je met spontane grappigheid.
De benen van de ene dame leken ingesmeerd bruin, die van die andere op een natuurlijke wijze gebruind.
Daarover hebben we nog even doorgepraat, Tonny en ik, over wat wij op onze rimpelige benen zullen smeren zodat die passen bij onze verder nog zeer krasse en jeugdige uitstraling.
Bertus Grotenhuis.