Dag Henk

Waar wij in augustus 2000 de drukte van de grote stad
verruilden voor een leven in Oudleusen, troffen we op
de Muldersstraat een buurman die kort tevoren juist
de stilte van zijn land had verruild voor de reuring van
het dorp. “Henk Baarslag, boer in ruste”, zo stelde hij
zich in de keuken voor aan mijn Haagse vrienden die
onze huisraad binnensjouwden. Een boer hadden ze nog
nooit ontmoet, een boer in ruste ook niet.
Wij kwamen te wonen tussen twee Henken, die ook nog
eens familie van elkaar waren. Op grond van leeftijd
doopten we ze om in Grote Henk en Kleine Henk. Dat
praatte een stuk gemakkelijker.
Terwijl het gezin van kleine Henk ons invoerde in het
leven van de kinderen, verzorgden grote Henk en
Minnie onze kennismaking met de gewoonten van het
dorp. Ze lieten zien wat het betekende buurman te
zijn. Tijdens onze eerste borrel bij Henk en Minnie
werden we formeel aangenomen als buurman. Zo
werkte dat.
In de jaren die volgden deed Henk voor hoe je moet
leven als pensionado in het dorp. Geen toneelavond,
informatieavond, dialectavond, straatavond,
buurtavond of Henk was erbij . Hij dook op in het
mannenkoor, hij liep rond op de Casemierschool waar
hij hand- en spandiensten verrichtte. We zagen hem in
wieleroutfit zijn rondje Vechtdal maken, we kwamen
hem tegen in de sportschool waar hij zich fit hield.
En al die tijd was hij buur zoals je je een buur wenst.
In strenge winters sleep hij onze schaatsen, hij schoor
steevast onze kant van de heg ‘nu hij toch bezig was’,
en toonde zich een geamuseerde toeschouwer bij mijn
pogingen het tuinieren onder de knie te krijgen (niet
echt gelukt, Henk). De uitdrukking ‘hij heeft er één
bladharken’ (voor iemand die ze niet allemaal op een
rijtje heeft) leerde ik van hem toen ik eens in een wolk
van bladeren probeerde mijn voortuin schoon te
harken.
Van tijd tot tijd kwamen we bij elkaar over de vloer,
voor een borrel en om bij te praten over het leven, het
werk, de kinderen, de geschiedenis van Oudleusen of
de Vecht. Henks kennis over de rivier en zijn
nieuwsgierigheid naar mijn verrichtingen in het
Vechtdal droegen bij aan mijn idee daar een boekje
over te schrijven. Op de Vechtdaldagen waren Henk en
Minnie supporters van het eerste uur.
De laatste maanden ging Henk stukje bij beetje
achteruit. De kanker had hem te pakken en het werd
snel duidelijk dat het niet meer goed ging komen. Eén
van de laatste keren dat ik hem zag genieten was op de
duofiets, in gezelschap van zijn dochter, aan de oever
van de Vecht. De zon schitterde in het water en
weerkaatste in beide gezichten. “Dag Henk,” zwaaide ik
vanuit de verte, “Rust zacht, boer in ruste.”
Bert van den Assem